Wildernisfilosoof Linde De Vroey

Natuur vraagt om bescheidenheid

Bij “rewilden” stellen we ons ruige grasvlaktes met grote grazers voor zoals de Oostvaardersplassen. Maar dat is slechts een van de vele manieren om invulling te geven aan “verwilderen”, volgens historica en filosoof Linde De Vroey. ‘Alsof de mens het beste weet wat een ecosysteem wil.’

Tekst: Michiel Bussink Beeld: An Clapdorp-Ertsberg

Tot haar negentiende was Linde De Vroey actief binnen de Jeugdbond voor Natuur en Milieu, de Vlaamse variant van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie (NJN). Daarna zakte de aandacht voor en betrokkenheid bij natuur weg. Maar toen de wereld ten tijde van corona stilstond, ontdekte ze opnieuw het groene leven in tuinen, bossen en velden. ‘Het voelde als thuiskomen.’ Nu draait haar professionele leven om natuur. Als historica en filosoof promoveerde ze aan de Universiteit van Antwerpen op haar proefschrift over rewilding dat ze bewerkte tot een publieksversie met de titel Verwilderen – Over de grenzen van natuur en cultuur (Uitgeverij Ertsberg, 2025). Daarin bespreekt ze beroemde rewilding-gebieden zoals de Oostvaardersplassen, de Maasvallei, Glen Affric in de Schotse hooglanden en Yellowstone National Park in de Verenigde Staten dat wordt gezien als de “moeder aller nationale parken”. Bovendien staat ze uitgebreid stil bij wat rewilding eigenlijk inhoudt.

‘In Nederland is rewilding heel erg gekleurd door de benadering van ARK Rewilding, de Oostvaardersplassen met de aanpak van bioloog Frans Vera en de bijbehorende inzet van grote grazers’, volgens De Vroey. ‘Vanuit de Verenigde Staten doen sommigen daar wat lacherig over: ze zien die initiatieven met die grazers in relatief kleine gebieden toch als een soort boerderijen. In de VS draait het veel meer om introductie van grote carnivoren, zoals wolven, die in Yellowstone een ecologische dynamiek in gang hebben gezet doordat prooidieren zich anders gaan gedragen en meer variatie in de vegetatie ontstaat.’ Maar De Vroey wijst erop dat we zelfs die wilde natuur in de Amerikaanse nationale parken niet als “ongerept” kunnen zien: ‘Zo’n idee miskent dat de oorspronkelijke inheemse bevolking er moest plaatsmaken voor de “wildernis”. Totale ongereptheid is dus een illusie, een koloniaal gekleurde opvatting van de natuur. Door de mens als indringer te zien veronderstelt die opvatting bovendien een scherpe scheiding tussen mens en natuur.’

Eigenzinnig

Eén door iedereen gehanteerde definitie van rewilden is er niet, laat De Vroey zien. Zelf hanteert ze een ruime invulling: ‘Het zet in op herstel van ecologische processen en benadrukt daarbij de autonomie, vrijheid en eigenheid van de natuur.’ Het is daarmee volgens haar ook expliciet een oproep tot een transformatie in de verhouding tussen mens en natuur: ‘Het daagt uit om een stukje controle af te staan aan de natuur.’ In De Vroey’s visie is de mens ook natuur. Wel een organisme dat zich op vele plaatsen als een invasieve soort is gaan gedragen, waardoor het ecosystemen vernietigt waar het zelf onderdeel van is. Rewilding houdt volgens haar in dat de mens een stapje terug doet. Door zich op te stellen als co-creator in plaats van als manager en uit te gaan van eigenzinnige self-willed of self-sustaining natuur. Dat betekent dat mensen bescheidenheid als basishouding aannemen, zoals de Amerikaanse schrijver, hoogleraar, bosbouwer en natuurbeschermer Aldo Leopold dat een eeuw geleden al bepleitte.

De komst van de wolf in West-Europa vindt ze ‘een supermooi voorbeeld’ van spontane verwildering. ‘Deze dieren komen op eigen kracht hiernaartoe.’ In principe zijn ze welkom, blijkend uit hun beschermde status. ‘Maar ze dagen ons ook uit, roepen negatieve emoties op, laten zien dat het een uitdaging is om te leren natuur zijn gang te laten gaan.’ Je ziet toch al snel de neiging om in de controle-modus te schieten, te willen beheersen en managen. Niet alleen bij de wolf, maar ook bij andere vormen van natuurbeheer. ‘Dan wordt er heel veel wetenschappelijk werk gestoken in metingen, inventariseren, monitoren en bijbehorende aanbevelingen om het beheer dan iets bij te stellen. Alsof de mens het beste weet wat een ecosysteem wil.’

Arrogant

Sommige natuurbeschouwers zeggen dat rewilden helemaal niet meer mogelijk is in het tijdperk van het Antropoceen. De menselijke invloed is immers via klimaatverandering en vervuiling merkbaar tot in alle uithoeken van de aarde. Maar dat ziet De Vroey anders: ‘Ik vind het Antropoceen, gemunt door atmosfeerwetenschapper Paul Crutzen, een nogal antropocentrische en arrogante term. Klimaatverandering is een proces waaraan de mens zeker bijdraagt. Maar niet enkel de mens.’ Ze wijst erop dat klimaatverandering alleen mogelijk is doordat gedurende miljoenen jaren, lang voordat de mens er was, de natuur zonne-energie heeft opgeslagen in de vorm van olie, kolen en gas. Ook in het veroorzaken van klimaatverandering is de mens dus slechts een schakeltje in een veel grotere keten. ‘De term Antropoceen miskent de veerkracht en het potentieel van de natuur buiten de mens.’

Het lastige van de term rewilden is volgens De Vroey het eerste deel van het woord, het “re-“. Dat suggereert terug te willen naar een ooit wilde toestand. ‘Maar hoe ver wil je dan terug? Wat is de ecologische basislijn waar je naartoe wilt? Honderd jaar geleden, duizend jaar of naar het pleistoceen en dus ook weer leeuwen en olifanten introduceren?’ Bovendien weten we niet hoe de Europese natuur er vroeger bij lag. Als een mozaïeklandschap met een afwisseling van bos en open vlaktes, zoals Frans Vera dat als blauwdruk gebruikte voor de Oostvaardersplassen? Volgens archeologisch pollenonderzoek zou het ook een dicht aaneengesloten woud kunnen zijn geweest. ‘Cruciaal vind ik de transformatie die nodig is om te komen tot gezonde ecosystemen. Daarvoor hoeven we niet per se terug. Ik spreek dan ook liever van verwilderen: het leven meer delen met andere organismen.’

Welzijn

Verwilderen kan volgens De Vroey verschillende gedaantes aannemen. Inderdaad zoals we die kennen van de ARK-gebieden met grote grazers. ‘Maar we hebben ook natuur buiten de beschermde gebieden nodig.’ Klassieke rewilders maken volgens haar nogal eens de vergissing uit te gaan van het scheiden van natuur van andere activiteiten, Land Sparing. ‘Rachel Carson (auteur van Silent Spring) liet begin jaren zestig van de vorige eeuw al zien dat kunstmest en chemische bestrijdingsmiddelen impact hebben buiten de landbouw. Je kunt kringlopen niet scheiden. Naast beschermde natuurgebieden moet je ook aan Land Sharing doen, dus de landbouw natuurvriendelijker maken.’

De hele economie en samenleving hebben volgens De Vroey het verwilderen nodig. Niet alleen ter vergroting van de biodiversiteit, ook voor ons eigen welzijn. De gezondheidsvoordelen van in de natuur vertoeven zijn inmiddels genoegzaam bekend. ‘Maar het gaat verder. Het gebrek aan verbondenheid met natuur veroorzaakt existentieel gemis. En omgekeerd: via de natuur vinden we de betovering terug. We weten intuïtief dat we de natuur nodig hebben. Daarom is verwilderen nodig, op zowel grote als kleine schaal. Van stadstuintjes tot heggen in het landschap en grote natuurgebieden.’

Maar net als in Nederland staat in Vlaanderen natuur en milieu niet hoog op de politieke agenda. Desondanks is De Vroey hoopvol, omdat er volgens haar in een brede onderstroom een grote interesse is in natuur, meer dan voor de coronapandemie. ‘De boekhandels liggen vol met natuurboeken. We zitten in een trage paradigmashift.’