Meer spechten dankzij ouder bos

Het gaat goed met de zes spechtensoorten in Nederland: de grote, kleine en middelste bonte spechten, de groene en de zwarte specht en als hekkensluiter de zeldzame draaihals. Waar bossen mogen verouderen, houtwallen groeien en dood hout blijft liggen, voelen verschillende spechtensoorten zich thuis.

Tekst en beeld Caroline van Oostveen, Sovon Vogelonderzoek Nederland

Spechten maken met hun geroffel en kenmerkende roep een vertrouwd geluid in onze bossen en cultuurlandschappen. Veranderingen in bosbeheer en de opbouw van het landschap hebben in de afgelopen tweehonderd jaar de verspreiding en aantallen van de zes spechtensoorten ingrijpend gewijzigd. Inmiddels groeit de landelijke populatie van de meeste soorten (figuur 1 en 2). De aantallen grote en de kleine bonte spechten zijn sinds de start van de tellingen in 1990 nagenoeg onafgebroken toegenomen.

Figuur 1
Figuur 2

Broedvogeltrends van verschillende spechten (figuur 1, index 100 = 1990), en de middelste bonte specht (figuur 2, index 100 = 224).

In de negentiende en vroege twintigste eeuw was er in Nederland weinig bos dat bovendien voornamelijk bestond uit strak beheerde productiepercelen met jonge aanplant. Oude bossen met aanzienlijke hoeveelheden dood hout waren zeldzaam en alleen te vinden op intensief beheerde landgoederen. Dat beperkte het leefgebied voor spechten sterk. Pas toen het bosareaal groeide, beheerders ouder bos toestonden en stervend hout lieten staan of liggen, ontstond de variatie in boomsoorten, bosstructuur en voedselaanbod die nodig is voor een succesvolle (her)vestiging van spechtenpopulaties.

Zwarte en middelste bonte specht

Soorten die sterk hebben geprofiteerd van het ouder wordende bos zijn de middelste bonte specht en de zwarte specht. De zwarte specht vestigde zich in 1915 in Twente en breidde zich daarna in rap tempo over de zandgronden uit. Tegenwoordig komt de soort vrijwel overal voor in de grotere bosgebieden op de zandgronden van Hoog-Nederland: Limburg, Brabant, Gelderland, Overijssel, Drenthe en oostelijke delen van Groningen en Friesland. Hij heeft een uitgesproken voorkeur voor naaldbossen met dennen in een open structuur en veel dood hout. Uit het aanwezige hout, zowel staand als liggend, peutert hij kever- en boktorlarven en onder andere humus- en rode bosmieren. Nestholtes maakt hij bij voorkeur in de gladde, takvrije stammen, omdat daar de kans op predatie kleiner is. Beukenlanen, met veel aanvliegruimte tussen de bomen, voldoen daaraan perfect. Soms broedt hij ook in Amerikaanse eiken, fijnsparren en grove dennen.

Zwarte specht in een nestholte in een beuk, Winterswijk.

De vestiging van de middelste bonte specht liet langer op zich wachten. Gedurende het grootste deel van de twintigste eeuw was deze spechtensoort in Nederland zeldzaam en kwamen broedgevallen slechts sporadisch voor. Sinds 1997 broedt de soort jaarlijks en is het aantal broedparen gegroeid van enkele tientallen rond de eeuwwisseling tot circa tweeduizend in 2024. Vanuit Zuid-Limburg verspreidde hij zich naar het oosten, midden en nu ook noordwesten van ons land. Middelste bonte spechten broeden in oude loofbossen, vooral in zomer- en wintereiken. In oude eikenbossen zijn veel dode, opstaande bomen met dood hout in de kroon. Daar voedt de middelste bonte specht zich met insecten, larven en spinnen in en tussen de grove bast. In de winter schakelt hij over op zaden, noten en boomsappen. Inmiddels beperkt de middelste bonte specht zich niet meer tot eikenbossen maar leeft ook in oude opstanden met beuk, es en ruwe berk en in nattere landschappen zelfs in oude bossen met wilg en populier. Ook houtwallen en beukenlanen bij grotere bossen worden inmiddels als broedplaats gebruikt.

Middelste bonte specht, Maasduinen

Kleine en grote bonte specht

De grote bonte specht is de minst kieskeurige soort wat leefgebied en dieet betreft en komt in het hele land voor. Variatie in bosstructuur, met meer dood hout en afstervende bomen, levert hem zowel nestgelegenheid als een rijk voedselaanbod. Grote bonte spechten zijn meer omnivoor dan de andere spechten. Tijdens de broedtijd leven ze van insectenlarven, rupsen en fruit zoals zoete kersen. Ook nestjongen van andere vogels staan op het menu. Buiten de broedperiode voedt hij zich vooral met zaden. Sinds 1975 is de grote bonte specht aan zijn opmars bezig en vestigde hij zich ook in open gebieden, parken en tuinen. Dankzij zijn gevarieerde dieet gedijt deze specht zowel in loof- als naaldhout. De hoeveelheid dood hout en de leeftijd van het bos doen er minder toe dan voor de zwarte en middelste bonte specht.

Grote bonte specht, Nijverdal

De kleine bonte specht, zo groot als een mus, komt voor in oud, gevarieerd loofbos maar broedt ook in voormalige grienden, verboste moerassen en in hoogstamboomgaarden. Zijn huidige broedgebied bestaat uit de duinstreek, delen van het rivierengebied en vrijwel heel Noord-Nederland. Sinds circa 1975 heeft hij zich in Noord-Brabant, Noord-Limburg en Drenthe sterk uitgebreid dankzij extensiever, natuurlijker bosbeheer en het ouder worden van de (massale) bosaanplant van eind negentiende eeuw tot halverwege de twintigste eeuw. Dode en stervende bomen bieden hem zowel nestholtes als voedsel. Hij haalt insecten en larven uit zachte houtsoorten als berk, wilg, els en populier. In enkele regio’s zoals de Veluwe en Zuid-Limburg neemt de populatie recent licht af, mogelijk door verdroging van bossen en de daaruit voortvloeiende afname van insectenlarven.

Grote bonte specht, Leersumse Veld

Groene specht en draaihals

Groene spechten profiteren minder van bosveroudering dan andere soorten. Ze broeden vooral in kleinschalige cultuurlandschappen en in duingebieden met veel oude bomen. Van grote bossen benutten ze alleen de randen of open plekken. Tussen 1975 en 2000 verdween de soort uit grote samenhangende bossen op de zandgronden, om daar later weer terug te keren. Tegelijkertijd nam de populatie in het Deltagebied en rond de grote rivieren flink toe, mede dankzij het ouder worden van opgaand geboomte in singels, erven en houtwallen. De recente toename kan deels worden toegeschreven aan het vrijwel uitblijven van strenge winters. Groene spechten voeden zich vrijwel uitsluitend met mieren, waaronder rode bosmieren, wegmieren, gele weidemieren en glanzende houtmieren. In winters met langdurige sneeuw en vorst is dat basisvoedsel veel minder beschikbaar, met nadelige effecten op de populatie. Als nestplaatsen kiest de groene specht verlaten spechtenholen of een zelf uitgehakt nest in vermolmd hout van eik, beuk, wilg, fruitbomen en soms populier.

Een vreemde eend in de bijt in het rijtje spechten is de draaihals, die tot een aparte subfamilie behoort. Als enige Nederlandse specht overwintert hij ver bezuiden het broedgebied: op het Iberisch Schiereiland en in de Sahel. Anders dan de overige spechten hakt hij geen eigen nest uit. Tot halverwege de twintigste eeuw was de soort wijdverspreid, maar onder andere door extreme droogtes in Afrika daalde het aantal broedparen tot circa tweehonderd in 1975, en nog maar enkele tientallen na 2000. Zijn voorkeur voor open heidevelden, zandige plekken en kapvlakten maakt hem extra gevoelig voor verruiging door verzuring en stikstofneerslag. Lokale herstelmaatregelen zoals verdiept maaien en extensieve begrazing brachten een kentering en na een dieptepunt rond 2006–2008 ligt het aantal territoria nu zelfs iets hoger dan in 1975. Draaihalzen broeden voornamelijk op de Veluwe en in Drenthe en in lagere dichtheden in Noord-Brabant en Limburg. Omdat ze geen eigen holen hakken, zijn oude spechtenholen onmisbaar en soms verder uitgehakte nesten van de matkop en glanskop in grove den, eik en berken langs heidevelden. Draaihalzen foerageren net als groene spechten op de grond. Het dieet bestaat vrijwel uitsluitend uit mierenbroed, vooral van soorten met ondiepe nesten zoals wegmieren.

Dynamiek

Het herstel en de groei van spechtenpopulaties in Nederland is een voorbeeld van de gunstige effecten van dynamisch en gevarieerd natuurbeheer. Waar bossen mogen verouderen, houtwallen groeien en dood hout blijft liggen, vinden zowel algemene als specialistische spechtensoorten ruimte om zich te vestigen. Ook elders in Europa beïnvloeden bosbeheer en klimaatverandering de ontwikkeling van spechtenpopulaties. Grootschalige kap van rijk oud bos in de Karpaten leidt bijvoorbeeld tot een afname van superspecialisten als de drieteenspecht en de witrugspecht, die in Midden- en Noord-Europa juist lichtjes toenemen. De nauw aan de groene specht verwante grijskopspecht is zijn verspreidingsgebied in noordelijke richting aan het verleggen en neemt in de dichtstbijzijnde broedgebieden in West-Duitsland af. Het ziet er dus niet naar uit dat we binnenkort nóg een spechtensoort als broedvogel binnen onze landsgrenzen kunnen verwelkomen, al weet je dat bij spechten nooit zeker. Dat we te maken hebben met een boeiende vogelfamilie waarvan de ontwikkelingen in aantallen ons geregeld verrassen: dát staat als een paal boven water.