
Veel hedendaagse natuurorganisaties hebben ergens hun wortels in de in 1901 opgerichte (K)NNV. De belangrijkste vertakkingen aan de KNNV-loot.
Tekst: Michiel Bussink en Wanne Roetemeijer Beeld: Mariëtte Boomgaard
De leden van de Koninklijke Nederlandse Botanische Vereniging (NBV) en de Nederlands Entomologische Vereniging (NEV), beide opgericht in 1845, deden vooral wetenschappelijk onderzoek. Nadat eind negentiende eeuw de Amsterdamse leraren Heinsius, Heukels, Heimans en Thijsse biologische kennis gingen populariseren, ontstond daarmee de behoefte aan een algemene natuurorganisatie. Aldus geschiedde in 1901: na de oprichting van enkele plaatselijke natuurhistorische verenigingen, zag op 27 december de Nederlandsche Natuurhistorische Vereniging het licht (sinds 1951 Koninklijk). Achteraf gezien ontstond daarmee een belangrijk deel van de Nederlandse natuurbeweging: vanuit de NNV werd in 1905 de Nederlandse Vereniging voor Behoud van Natuurmonumenten opgericht.
Onder aanvoering van Natuurmonumenten ontstond vervolgens tussen 1927 en 1936 een groot deel van de Provinciale Landschappen. Op hun beurt legden Natuurmonumenten en de provinciale Landschappen mede de basis van het samenwerkingsverband Contact-Commissie voor Natuur- en Landschapsbescherming. Daaruit groeiden begin jaren zeventig van de vorige eeuw Stichting Natuur en Milieu en de Provinciale Milieufederaties.
In 1938 nam de (K)NNV het initiatief tot oprichting van de Bond tegen Verontreiniging van Natuur en Stad (later Bond van natuurbeschermingswachten) waaruit in 1960 het Instituut voor Natuurbeschermingseducatie (IVN) ontstond. Heel lang was er een “personele unie” tussen beide organisaties doordat de voorzitter van de (K)NNV ook voorzitter van de Bond, c.q. het IVN was.
Aanvankelijk vreesde de (K)NNV concurrentie van de in 1920 opgerichte Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie (NJN), later werd er juist veel samen opgetrokken. “Oude sokken” (ex-NJN’ers) werden vaak (K)NNV-lid en samen richten de organisaties bijvoorbeeld in 1941 de (nog steeds bestaande) Strandwerkgemeenschap op. Ook de Byrologische en Lichenologische Werkgroep (sinds 2024 zelfstandig) en Stichting Ornithologisch Veldonderzoek Nederland (SOVON) werden mede door KNNV’ers opgericht.
Dit is geen volledig overzicht. Er zijn nog wel meer dwarsverbanden en vooral in de eerste jaren ook personele overlappen tussen allerlei natuurorganisaties. Hoe dan ook, de KNNV heeft verschillende nakomelingen gekregen, die op hun beurt voor nieuwe spruiten zorgden. Zo is er een veelkleurig landschap van natuurorganisaties gegroeid, met elk hun eigen specifieke rol om natuur te bestuderen, behouden en beleven.
