Natuurstudie als dekmantel

Het artikel hieronder is een uitgebreidere versie van het artikel dat in het juni nummer van Natura 2026 verscheen.

Ook in het 125-jarige bestaan van de KNNV vormt de Tweede-Wereldoorlog een dramatische, treurige, soms heldhaftige en voor velen dodelijke episode. Telkens duiken er nieuw ontdekte verhalen op uit die tijd, zoals van de botanici Jan Sloff en Abraham Willem Kloos.

Tekst Michiel Bussink en Wanne Roetemeijer Beeld Archief familie Kloos en Heimans en Thijsse Stichting

‘We gedenken hen die de bevrijding van ons Vaderland niet mochten beleven doordat zij op enigerlei wijze voor of bij de bevrijding hun leven gaven.’ Zo viel te lezen in een In Memoriam in het eerste nummer van Natura van 1946. Daaronder volgen de namen van 19 KNNV-ers. ‘Sommigen werden gegrepen bij hun heldhaftige verzetsstrijd, anderen stierven in gevangenis of concentratiekamp, terwijl er tenslotte ook vielen door bommen.’ Onder de gevallen opvallend veel slachtoffers uit Deventer, waaronder Hendrik Uittien, voorzitter van de plaatselijke afdeling. Over zijn leven schreef Michiel Bussink de biografie Botanicus in oorlogstijd (KNNV-uitgeverij).  Maar de lijst herbergt ook bijzondere verhalen die nog niet of nauwelijks zijn verteld en dat geldt ook voor verschillende  (K)NVV-ers die de oorlog wel overleefden, maar daarin een bijzondere rol speelden. Zoals de met Uittien bevriende floristen  Jan Sloff en  Abraham Willem Kloos.

De naam Jan Sloff (1892-1979) kom je gegarandeerd tegen als je je verdiept in de geschiedenis van het de  Nederlandse floristiek. Als zeventienjarige gymnasiast schreef hij in 1909 al enthousiast in  De Levende Natuur, over de vondst in natuurgebied Koedood (later opgeslokt door de haven) in  zijn geboorteplaats Rotterdam: ‘Blij met mijn vondst, midden tusschen wollegras en moeraskartelbad en zeer veel gewone Orchis incarnata, ook een zuiver wit exemplaar van de laatste. In ‘Door het Rietland’ (Heimans en Thijsse, red.) wijst u op de hooge zeldzaamheid hiervan.’  Na het halen van zijn onderwijsacte werd Sloff in 1920 leraar plant- en dierkunde aan de Rijks HBS in Bergen op Zoom en een paar jaar later ook in Breda. Vanaf het begin trok Sloff er op uit om de natuur in Brabant en Zeeland te onderzoeken, alleen en samen met anderen. In juli 1922 leidde hij bijvoorbeeld een (K)NNV-excursie  naar de Oosterschelde en Zierikzee, waaraan 110 leden uit Breda en 40 uit Bergen op Zoom meededen. Hij reisde het hele land door om met zelfgemaakte dia’s lezingen over planten en de Zeeuwse en Brabantse natuur te verzorgen en leidde NJN-kampen op Texel en in Twente.

‘Hij was altijd opgewekt, een enthousiast botanicus, kampeerder, onvermoeid fietser en wandelaar, en vol met ideeën hoe hij de ideeën van de toen nog zo rijke flora van ‘zijn’ gewest Noord-Brabant kon vastleggen’, schreef vriend en collega florist  Cees Sipkes (1895-1989) in 1979 bij Sloffs overlijden in de Natura.

Beste Allemaal,

Mijn verblijf in Bergen op Zoom is maar van korte duur geweest. Ik had het er niet kwaad. Wat paardrijden en verder niet veel. Zondag ben ik met Sloff op stap geweest. We hebben nog gezwommen in de Schelde.

Dit schreef A.W. Kloos naar huis op 2 mei 1940, een week voordat de oorlog begon, niet wetende wat hen te wachten stond.

Englandspiel

Samen met onder andere Uittien, Kloos, Jac. P. Thijsse en Jacob Heimans (zoon van Eli Heimans), werd Sloff in 1927 lid van de eerste Commissie voor de Bescherming van Nederlandse Flora, opgericht door de Nederlandse Botanische Vereniging. Hij zou  dertig jaar lang de secretaris blijven, een functie hij ook vervulde bij de in 1932 opgerichte Contact Commissie voor natuur- en landschapsbescherming en hij was ook  bestuurslid van het Brabants Landschap.

Sloff en Kloos waren de belangrijkste  medewerkers werden van het mede door hen in 1930 opgerichte Instituut voor het Vegetatieonderzoek van Nederland (IVON).  De in 1902 gestarte veldinventarisaties, waarbij Nederland was ingedeeld in hokken, brachten ze over op plantenkaartjes, zodat de nu bekende verspreidingskaarten ontstonden. De NDFF Verspreidingsatlas meldt 293.024 waarnemingen van Jan Sloff en 136.859 van Kloos. Het IVON ging later op in het Rijksherbarium in Leiden en het vegetatieonderzoek werd in 1988 overgenomen door Floron.

In de oorlog was Sloff onder andere redacteur van Natura, totdat het blad in 1943 het bevel kreeg een oproep te plaatsen voor aanmeldingen als SS-ers aan het Oostfront. Dat was voor redactie en (K)NNV aanleiding de uitgave van Natura stop te zetten. Het  hoofddoel van Sloffs vele wandel- en fietstochten was toen al drastisch veranderd: als  commandant van de radio- en codedienst van Dienst Wim, een netwerk van spionage- en inlichtengroepen van het verzet, gaf hij allerlei gegevens door aan de Engelsen. Met een brief van Abraham Willem Kloos van de Commissie voor de bescherming van wilde planten als dekmantel, kreeg hij toestemming om in natuurgebieden te komen. Waarbij hij ook stellingen, loopgraven en dergelijke van de Duitsers in kaart bracht en die overbracht  aan de Britten.

In juli 1943 bleek Dienst Wim door een SD-er geïnfiltreerd – de beruchte operatie Englandspiel – en werd een groot deel van verzetsstrijders gearresteerd. Toen Sloff aanbelde bij het huis van de gearresteerde verzetscommandant Juten, werd hij door twee SD-ers bij de kraag gegrepen met de vraag wat hij kwam doen. ‘Juten uitnodigingen voor een excursie van de (K)NNV’, reageerde Sloff, die dat met een uitnodiging op papier kon ondersteunen. Daarop smeten de SD-ers Sloff de deur weer uit. Twee dagen later zagen ze hun vergissing in en wilden ze Sloff alsnog bij hem thuis arresteren. Die ontsnapte via de achterdeur en dook onder in Bennekom. Toen in oktober dat jaar zijn moeder overleed, durfde Sloff niet naar haar begrafenis: SD-ers waren daar wel. 

Na aan paar maanden dook Sloff onder in Breda en Tholen waar hij onder de schuilnamen Bart Bes, De Bever en Den Otter zijn spionagewerkzaamheden voortzette. Uit frustratie dat ze hem niet te pakken konden krijgen, haalde de bezetter in april 1944 Sloffs huis leeg, waardoor zijn archief met vijfentwintig jaar aan planten- en landschapsfoto’s en -dia’s, teloor is gegaan.

Toen Zuid-Nederland was bevrijd, vervulde Sloff een functie bij het Militair Gezag die de orde moest bewaken totdat de officiële Nederland regering weer op haar post was en na mei 1945 bij het Tribunaal die oorlogsmisdrijven moest berechten. ‘Hij was zeer principieel en heeft in de oorlog zich geheel in dienst gesteld en zijn leven gewaagd voor onze vrijheid’, schreef Cees Sipkes. Na de oorlog stortte Sloff, die zijn hele leven vrijgezel bleef, zich weer volledig op de plantenstudie- en bescherming. Tot op hoge leeftijd: een paar maanden voor zijn dood in 1979 was hij in het Rijksherbarium in Leiden nog betrokken bij de Atlas van de Nederlandse Flora, waarvoor zijn plantenkaarten de basis vormden. Sloff werd onderscheiden met de Belgische medaille van Weerstand, benoemd tot Ridder in de orde van Oranje-Nassau en erelid van de Nederlandse Botanische Vereniging. Toen hij in 1960 bij zijn aftreden als KNNV-bestuurslid werd benoemd tot ere-lid was dat voor het ANP aanleiding een speciaal persbericht de wereld in te sturen.

Grootmeester

Zowel voor, in als na de oorlog werkte Sloff nauw samen met Abraham Willem Kloos,  een (K)NNV-er uit Dordrecht, die óók veel heeft betekend voor de Nederlandse wildeplantenstudie. Hij werd in zijn In Memoriam in het tijdschrift van de Nederlandse Botanische Vereniging door zijn vriend P. Jansen ook wel de ‘onbetwiste grootmeester der floristen’ genoemd. Hij schreef talloze artikelen over verschijningsvormen van planten, adventieven en floristiek en verzorgde een tijd lang de rubriek ‘Aanwinsten van de Nederlandse Flora’ in het Nederlands Kruidkundig archief. Kloos werd in 1880 geboren in West-Knollendam en was al jong gefascineerd door wilde planten. ‘Hij liep altijd met zijn hoofd naar beneden naar school’. Na zijn ingenieursstudie in Delft werd hij leraar wiskunde en mechanica aan de MTS in Dordrecht, waar  hij drie kinderen kreeg met zijn eerste vrouw en na een scheiding nog eens drie met zijn tweede vrouw. Met zijn baard en borstelige wenkbrouwen stond hij niet bekend om zijn conformisme:  hij gaf les met zijn benen op banken met scheuren in de schoenzolen én hij was een overtuigd socialist.

Zijn gevoel voor rechtvaardigheid maakte dat hij in de oorlog betrokken raakte bij het verzet. In zijn eigen huis verborg hij  tijdelijke onderduikers. Permanent durfde hij niet, omdat hij bang was de twee zoons en een dochter die actief in het verzet zaten, in gevaar te brengen.   

De familie Kloos in zomer van 1944. Rechts in het midden A.W. Kloos, rechts van hem Diet Barendrecht en Jan Kloos

Gefusilleerd

Ondanks een overval bij hem thuis overleefde Kloos de oorlog, maar wel zwaar getekend. Zijn enige broer en diens vrouw kwamen om in een Jappenkamp in Indonesië. Zoon Douwe belandde vanwege zijn verzetsactiviteiten in concentratiekamp Neuengamme en raakte daar door mishandelingen zo verzwakt dat hij in de herfst van 1945 overleed. Zoon Jan studeerde biologie met als specialisatie ornithologie en gebruikte het vogels kijken als dekmantel om voor verzetsgroep Albrecht militaire posities van de Duitsers door te geven aan de geallieerden.  Samen met zijn kersverse vrouw Diet Barendregt (1924-2015), die ook in het verzet zat, werd Jan Kloos in december 1944 opgepakt. Na te zijn gemarteld, waarbij hij niks los liet,  werd hij in januari  1945 gefusilleerd vanwege zijn spionageactiviteiten.

Zijn vrouw Diet werd wegens gebrek aan bewijs vrijgelaten en pakte haar verzetswerk weer op.  Ze werd na de oorlog een internationaal gevierd oratoriumzangeres en had onder andere een verhouding met de Duits-Joods-Roemeense dichter Paul Celan die later beroemd zou worden met zijn poëzie waarin hij de oorlog een plek gaf en ook Diet voorkomt. Het gedicht  Rauchtopas schreef Celan naar aanleiding van de ring met topaas die Diet van Jan gekregen had en die zij altijd droeg. Hertrouwen wilde ze niet: na haar dood werd haar as uitgestrooid op  Militaire Erebegraafplaats in Bloemendaal bij  ‘haar Jan’.

Haar schoonvader Abraham Willem Kloos werkte na de oorlog verder mee aan de Flora Neerlandica, werd benoemd tot Doctor honoris in de biologie aan de Universiteit Leiden, erelid van de Nederlandse Botanische Vereniging en stierf in 1952 na een kort ziekbied. In de laatste fase van zijn leven heeft hij erg geleden onder de dood van zoons.  Hij voelde zich schuldig doordat hij zich door zijn  ‘houding ‘ hen geïnspireerd had om in het verzet te gaan. De bloementuin die hij aanlegde bij zijn huis in Dordrecht wordt tot op de dag van vandaag in ere gehouden door natuurliefhebbers en KNNV-ers als Gerrit Wildeman die na de oorlog het huis overnamen.

A.W. Kloos voor de klas

Collaboratie

De lijst met door de oorlog getekende KNNV-ers herbergt nog vele andere verhalen. Zoals dat van de tweelingzussen Eltien en Neeltje Krijthe, die volop planten inventariseerden in de uiterwaarden nabij hun Wageningse huis waar ze in de oorlog Joodse onderduikers verborgen. Na verraad belandden ze in concentratiekamp Ravensbrück, waar Eltien stierf en dat  Neeltje ter nauwernood overleefde. De Bredase (K)NNV-er Van Nijnanten, jarenlang redacteur van Natura, overleefde de oolog ook, ondanks een arrestatie wegens verzetsactiviteiten. Amateur botanicus Hein van Wijk (1907-1981), na de oorlog bekend als  advocaat en Eerste-Kamerlid voor de Pacifistisch-Socialistische Partij (PSP),  zat vanwege verzetsactiviteiten in concentratiekamp Dachau. De gedichten die hij daar schreef over de Nederlandse wilde planten, werden door de KNNV-Uitgeverij in 1990 uitgegeven onder de titel Land van vrijheid. Het leven van Jacob Heimans, die als Jood met zijn gezin moest onderduiken en ondanks verraad de oorlog overleefde, is gedocumenteerd in Marga Coesèls biografie  Zinkviooltjes en zoetwaterwieren.

Maar waren er onder de (K)NNV-ers misschien ook leden die met de bezetters sympathiseerden? Een oproep met die vraag heeft tot nu toe niets opgeleverd. Het hoofdbestuur van de (K)NNV besloot in het najaar van 1940 in ieder geval ‘dat we nooit inmenging of toezicht van de bezettende macht zouden dulden.’ Een andere vraag is in hoeverre natuurliefde en verzet met elkaar samenhangen. Op zijn minst verschafte het een denkmantel voor verzetsactiviteiten en bij sommigen vielen natuur- en mensenliefde niet los van elkaar te zien. Maar dat botanische interesse geen verdraagzaamheid garandeert, toonde de Wageningse hoogleraar plantkunde Jacob Jeswiet die voor de oorlog vaak in het gezelschap van Sloff, Kloos, Uittien, Heimans en andere natuurbeschermers planten inventariseerde. De redactie heeft niet kunnen achterhalen of hij (K)NNV-lid was. Hij was in ieder geval een prominente NSB-er, die in de oorlog allerlei nazistische functies vervulde, onder andere als naaste medewerker van NSB-leider Mussert. Voor Uittien was het reden om te weigeren in een  plantencommissie onder voorzitterschap van Jeswiet zitting te nemen. De Vereniging Natuurmonumenten had er daarentegen geen moeite mee om in 1942 Jeswiet als bestuurslid te verwelkomen.  Na de oorlog werd hij als hoogleraar oneervol ontslagen en veroordeeld tot 3,5 jaar gevangenisstraf.  Het Niod (Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudie) onderzoekt momenteel in hoeverre Natuurmonumenten tijdens de oorlog van collaboratie heeft geprofiteerd. Ongetwijfeld zullen er nieuwe verhalen opduiken over natuurbeschermers in de oorlog.

Overleden KNNV-ers in de Tweede Wereldoorlog

In de Natura’s die vlak na de oorlog verschenen was aandacht voor de overleden KNNV-ers. Het gaat om de volgende personen.

Oproep: wie bijzondere verhalen heeft over bekende of minder bekende KNNV-ers of KNNV-activiteiten in het verleden, laat het weten aan de redactie! natura@knnv.nl