Veldbiologie in een veranderende wereld

Als je vogels gaat kijken verzamel je niet alleen data maar ontwikkel je ook een relatie met natuur. Toch zorgen meer natuurdata niet automatisch voor natuurbehoud. Daar is veel meer voor nodig. Sander Turnhout beschrijft vijf verschillende rollen van natuurmonitoring bij het in gang zetten van verandering.

Tekst: Sander Turnhout, strategisch adviseur bij Soorten.nl Beeld: Nicolien Drost

Geen land weet zoveel van zijn natuur als Nederland. Het begint een beetje een cliché te worden en het staat bovendien in schril contrast met het feit dat geen land ter wereld zo slecht met zijn natuur omgaat als Nederland. In welke landen bestaat er een uitdrukking als “on-Nederlands mooi”? Ik woon op een stuwwal en het is hier prachtig maar ik hoor deze uitdrukking bijna dagelijks bij wandelaars en dagjesmensen. Misschien kunnen we de broodnodige verandering op het spoor komen door met een paar zevenmijlslaarzen door de geschiedenis van de veldbiologie heen te marcheren.

Bijzondere mensen

In 1845 werd de Nederlandse Entomologische Vereniging opgericht met als doel de insecten van ons land in kaart te brengen. Een mooie doelstelling: de vereniging is er nog altijd mee bezig. Rond de eeuwwisseling ontstaan verschillende andere kennis- en beschermingsorganisaties vanuit de filosofie dat kennis over de natuur bijdraagt aan liefde voor de natuur. Zoiets kun je zien als een transformatie: mensen die vogels gaan kijken, worden vogelaar. Het is duidelijk zichtbaar in het gedrag van waarnemers. Soorten die ze gezien hebben, “hebben” ze (Waar? Op hun lijst) en de plek waar ze vogels tellen noemen ze “mijn gebiedje”. Ze zijn natuurlijk geen eigenaar van een gebied en ze “hebben” geen soorten, maar ze voelen eigenaarschap. En dat is mooi, want verwondering en zorg gaan hand in hand: natuurstudie is relationeel. Mensen zijn geen dataproductiemachines, ze gaan een relatie aan met wat ze bestuderen. Dat is transformatief: mensen die bijzondere soorten zien, worden gezien als bijzondere mensen. Dat maakt data van vrijwilligers robuust. Bijzondere waarnemingen vereisen immers bijzonder bewijs: georganiseerde natuurvrijwilligers kennen uitgebreide en geavanceerde sociale controle.

Beleidsrelevant

In de jaren zeventig worden natuurdata vanuit toegenomen bewustzijn over milieuproblematiek politiek relevant. De vogelrichtlijn uit 1978 zet vogels en hun leefgebieden op de kaart en de Conventie van Bern uit 1979 en de habitatrichtlijn uit 1990 doen dat met beesten zonder veren. Behalve een functionele indeling en een genetische classificatie ontstaat er zoiets als een politieke taxonomie waarin behoefte is aan data over “beleidsrelevante soorten”. Kennisontwikkeling over vogels gaat snel vliegen: alle broedvogels zijn wettelijk beschermd en de vogelwaarnemersgemeenschap is goed georganiseerd. Kennisontwikkeling over paddenstoelen – vanuit systeemecologie zeer relevant – blijft achter, want die staan niet in de habitatrichtlijn. De gemeenschap is er al sinds 1908, toen de Nederlandse Mycologische Vereniging werd opgericht, maar er wordt vanuit overheidswege weinig in geïnvesteerd.

Terwijl investeringen overduidelijk vruchten afwerpen: in de beginjaren van het Netwerk Ecologische Monitoring steeg het aantal waarnemers lineair met grofweg duizend waarnemers per jaar terwijl de data en de (potentiële) toepassingen van data exponentieel toenamen. Helaas wordt de kennis die dat oplevert niet of nauwelijks gebruikt bij het vormgeven en evalueren van beleid. Dus de derde transformatie zou kunnen zijn dat we de beschikbare kennis maatschappelijk beter gaan benutten.

Patiënt overleden

Bestuurskundigen onderscheiden grofweg drie soorten monitoring. Output – waarbij maatregelen geturfd worden. Outcome – waarbij ontwikkelingen gevolgd worden. En impact – waarin oorzaak-gevolgrelaties worden aangetoond. Elke soort heeft zo zijn eigen voor- en nadelen.

Het agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLB), de Kritische Prestatie Indicatoren (KPI’s) en het Subsidiestelsel Natuur en Landschapsbeheer (SNL) zijn voorbeelden van outputmonitoring in het natuurbeleid: boeren en beheerders krijgen een vergoeding als ze de voorgeschreven maatregelen genomen hebben. Het voordeel daarvan is dat maatregelen makkelijk te meten zijn en dat het in zekere zin “eerlijk” is: loon naar werken. Het nadeel is dat deze benadering “operatie-geslaagd-patiënt-overleden-beheer” faciliteert. In de periode dat bijvoorbeeld boeren en beheerders massaal intekenden op het beheerpakket “kemphaangrasland” is de kemphaan als broedvogel uit Nederland verdwenen.

In het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM) worden soortgroepen gevolgd met als belangrijkste doel om voorgeschreven rapportages te kunnen verzorgen: hoe gaat het met de gekozen indicatoren? Het nadeel van deze benadering is dat je indicatoren goed in beeld brengt maar de relatie met beleid en beheer niet zomaar te leggen is. Associatie is nog geen causatie. Daarom wordt in het Ontwikkelprogramma Bos en Natuurkwaliteit (OBN) per leefgebied gewerkt aan impactmonitoring. Het voordeel is dat je daarmee een sterke relatie kunt leggen tussen de maatregel(en) en de effecten. Maar het nadeel is dat de resultaten sterk gebonden zijn aan plaats en tijd. Succesvolle maatregelen voor hoogveenherstel in Drenthe bieden geen garanties voor hoogveenherstel in Brabant.

Dat kun je ondervangen met voldoende meetpunten zodat je effectanalyses kunt baseren op monitoringdata. Om dat te doen, kun je een laboratoriumopstellingen in het meetnet uitzetten. Met controlegebieden en al. Soms moet je dan extra metingen in het veld doen om ervoor te zorgen dat je de “statistische drempel” haalt. De snelste route naar het ophogen van het aantal meetpunten is het standaardiseren van de telprotocollen van alle metingen die al gedaan worden. Dan kun je ANLB, SNL, de KPI-monitoring en alle NEM-meetnetten bij elkaar optellen en ontstaat er een datavoorraad die op allerlei verschillende manieren analytisch te gebruiken is. Zoiets lukt niet als elke (deel)overheid alleen verantwoordelijkheid voelt voor zijn eigen beleid: het is bij uitstek iets wat je centraal goed moet regelen, zodat verschillende overheden en bedrijven daar hun voordeel mee kunnen doen. Noem het systeemverantwoordelijkheid.

Gezonde leefomgeving

Natuurmonitoring is best een lastige wereld maar als je wilt dat het lukt, dan lukt het. De biodiversiteitscrisis wordt niet veroorzaakt door een gebrek aan data. Als je het goed wilt regelen, redeneer je niet primair vanuit juridische verplichtingen – welke soortenbescherming is verplicht – maar vanuit de vraag: welke soorten geven een goed beeld van de kant die ik op wil? Als je bijvoorbeeld een probleem met stikstof hebt, dan kun je binnen stikstofgevoelige groepen kijken of je een significante afwijking ziet tussen de trends van de stikstoftolerante en de stikstofmijdende soorten. Bij snel reagerende groepen zoals korstmossen, paddenstoelen en dagvlinders zie je binnen een paar jaar of je de goede kant op gaat of dat er bijgestuurd moet worden. In het huidige beleid kijken we niet of nauwelijks naar die groepen ‘omdat dat niet hoeft van de habitatrichtlijn.’ Dit is een belangrijk punt: als je beleid motiveert vanuit verplichtingen, loop je vast. Als je het motiveert vanuit het belang van een gezonde leefomgeving, ga je andere dingen doen die bovendien misschien beter lukken.

Anders kijken

En dan gaan er werelden voor je open. In zekere zin kom je dan terug bij de eerste transformatie: mensen die vogels gaan kijken, worden vogelaar. Als je nieuwe groepen in de samenleving meeneemt bij het kijken naar de natuur, gaan ook zij de leefomgeving met andere ogen zien. En als je andere dingen ziet, ga je andere dingen doen. “Transformative Change” heet dat ook wel volgens het Intergovernmental Platform for Biodiversity and Ecosystem Services. Het komt er simpel gezegd op neer dat alles overal anders moet. Er zijn niet alleen andere maatregelen nodig, maar ook andere verdienmodellen, andere wet- en regelgeving, andere productie en consumptie en uiteindelijk ook andere waardenpatronen en culturele overtuigingen. Dat is nogal wat, maar het begint met anders kijken. Samen kijken naar de vogels, de vlinders en de vissen en samen bedenken wat je ervan vindt en wat je zou kunnen doen om ervoor te zorgen dat het beter gaat met deze soorten. Niet alles lukt en sommige problemen zijn echt hardnekkig, maar er kan altijd meer dan je denkt.

Gebruikte literatuur:

Turnhout, S., Beunen, R., Wallis de Vries, M., & Visseren-Hamakers, I. (2024). Juridische borging van beleid vereist betere samenhang tussen natuurmonitoring en evaluatie van beleid. Tijdschrift voor Milieu en Recht, 58(5), 407-414.